Nibud-studentenonderzoek 2015: ‘1 op de 3 lenende studenten leent om spaarrekening te spekken’

Ruim een derde (36%) van de hbo- en wo-studenten leent bij DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs). Van hen leent 33% onder andere om dit geld na de studie achter de hand te hebben, sommigen ook voor de aankoop van een eigen woning. Dit blijkt uit het Nibud Studentenonderzoek 2015* (pdf), uitgevoerd door het Nibud, met medewerking van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, ING en Studenten.net. Een derde van de lenende studenten zegt dat ze best minder zou kunnen lenen. Ook geeft 1 op de 3 aan dat ze maximaal leent ‘omdat het kan’. 

Bijna alle studenten krijgen studiefinanciering (93%). De rentedragende lening maakt daar een belangrijk onderdeel van uit. De studenten die een rentedragende lening hebben bij DUO lenen gemiddeld 484 euro per maand. Uit een bijbaan haalt 71% een deel van zijn inkomsten, gemiddeld 332 euro per maand. Van alle studenten krijgt 57% periodiek of op onregelmatige basis geld van de ouders, gemiddeld 179 euro per maand.

Als belangrijkste redenen om te lenen, geven de studenten aan:
1. De gunstige leenvoorwaarden bij DUO (63%)
2. Ouders raden het aan (58%)
3. Ouders niet willen belasten (57%)

Bij het Nibud hadden ze niet verwacht dat één op de drie lenende studenten leent om dat geld voor later of voor de aankoop van een woning te sparen, hoewel ze wel begrijpen dat de huidige lage rente studenten kan motiveren om maximaal te lenen en het geleende geld op een spaarrekening te zetten. Lenen om te sparen kan financieel slim lijken, maar het is risicovol als er onzorgvuldig met dit geleende geld omgegaan wordt. Een studieschuld is immers een langlopende financiële verplichting; gedurende deze periode kan er veel veranderen. Daarnaast heeft het invloed bij het aangaan van een hypotheek. Luxe is ook een reden om te lenen bij DUO: 15% van de studenten geeft dit als reden op.

hoeveel studenten lenen

Het Nibud verwacht dat studenten meer zullen lenen in het nieuwe studiefinancieringsstelsel. Door de afschaffing van de basisbeurs ontstaat er namelijk een gat in de begroting van ruim 100 euro voor thuiswonenden en ruim 286 euro voor uitwonenden. Hoe hoog het leenbedrag zal worden, kan het Nibud niet voorspellen, maar op dit moment lenen studenten die geen basisbeurs meer krijgen, gemiddeld 632 euro per maand. Het Nibud adviseert studenten nadrukkelijk om niet meer te lenen dan noodzakelijk is voor de maandelijkse uitgaven. Nu geeft 32% van de lenende studenten aan best minder te kunnen lenen om toch rond te kunnen komen.

Gemiddeld hebben studenten 768 euro per maand te besteden. De inkomsten van uitwonenden zijn beduidend hoger dan die van thuiswonenden: 894 euro tegen 541 euro per maand. Thuiswonende studenten kunnen met deze inkomsten hun maandelijkse uitgaven net betalen. Zij geven maandelijks gemiddeld 535 euro uit. Uitwonende studenten komen niet rond: hun uitgaven zijn gemiddeld 980 euro per maand.

Als studenten gevraagd wordt wat een gemiddelde student per maand uitgeeft, onderschatten zij wat studenten daadwerkelijk gemiddeld uitgeven. Bij thuiswonende studenten worden de gemiddelde uitgaven geschat op 343 euro per maand, 192 euro te laag. Bij uitwonende studenten worden de gemiddelde uitgaven geschat op 771 euro per maand, dat is 209 euro te laag.

Dit zijn de gemiddelde uitgaven per maand in euro’s:

uitgaven studenten per maand

Het Nibud adviseert studenten hun leenbedrag vast te stellen door hun eigen inkomsten en uitgaven op een rij te zetten. Zo kan worden voorkomen dat ze te veel of te weinig lenen. Op dit moment heeft één op de drie studenten zijn leenbedrag bepaald door te kijken naar wat er bij DUO maximaal mogelijk is. Dit heeft als grote valkuil dat zij hierdoor mogelijk meer lenen dan nodig is. Aan de andere kant kan het dat studenten die op basis van een globale inschatting de uitgaven te laag inschatten, juist minder lenen dan zij nodig hebben voor hun noodzakelijke uitgaven. Het risico bestaat dat zij dit tekort opvullen door rood te staan: een veel duurdere vorm van lenen.

Van de studenten komt 45% zelden of nooit geld tekort, tegelijkertijd geeft 18% aan vaak of altijd geld tekort te komen. Uit het Studentenonderzoek 2015 blijkt dat studenten die rood staan, vaker een financieel probleem ervaren: 17% van alle studenten geeft aan een financieel probleem te hebben, onder studenten die rood staan is dit 54%. Het Nibud adviseert studenten die zonder lenen niet rondkomen, te lenen bij DUO, om zo gebruik te maken van de meest voordelige vorm van lenen. Goed budgetteren blijft echter van groot belang en voorkomt mogelijke financiële problemen later. De onlangs verschenen Geldwijzer Studenten helpt studenten hierbij. Het Nibud heeft op basis van dit Studentenonderzoek de Handreiking Student & Financiën ontwikkeld, bedoeld voor professionals die voorlichting en advies geven aan (aankomende) studenten en hun ouders. De handreiking, gratis te downloaden, geeft een actueel beeld van de financiële situatie van hbo- en wo-studenten. 

ING heeft naar aanleiding van het onderzoek onderstaande infographic gemaakt.

ING-Infographic-Financieel-Fit-2015

*Het onderzoek is uitgevoerd onder studenten in het hoger onderwijs (hbo en wo), in de leeftijd tot 30 jaar. Van 2 tot en met 20 april 2015 konden de respondenten de vragenlijst online invullen. De respondenten die hebben deelgenomen zijn afkomstig van het studentenpanel van Studenten.net. Daarnaast zijn ongeveer 300 respondenten afkomstig van het panel van Opinieland van SSI. Dit resulteerde uiteindelijk in 2.723 compleet ingevulde vragenlijsten. De resultaten zijn gewogen op geslacht, leeftijd en opleidingsniveau. Een aantal resultaten is gebaseerd op de data van de Studentenmonitor Hoger Onderwijs 2014 van ResearchNed.

Nibud schrikt: ‘Eén op de vijf jongvolwassenen heeft betalingsachterstand’

Openstaande rekeningen bij de zorgverzekeraar, onbetaalde boetes of achterstanden bij de Belastingdienst: bijna 20% van de 18- t/m 24-jarigen heeft hiermee te maken. Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is ervan geschrokken dat zo’n grote groep jongeren op zo’n jonge leeftijd zijn geldzaken niet op orde heeft en al schulden maakt. Het gaat bij 20% van die jongeren om bedragen van 2.500 euro of meer, zo blijkt uit het onderzoeksrapport Jongeren & Geld* (pdf) dat het Nibud uitvoerde en mogelijk werd gemaakt door Rabobank Nederland.

Van alle jongeren (12 t/m 24 jaar) komt 11% frequent geld te kort. De reactie hierop bij veel jongeren is niks doen, want op=op. Als jongeren onder de 18 lenen, gaat dat om kleine bedragen. Het doorsneebedrag dat geleend wordt is zo’n 3 euro. Achttienplussers hebben vaak een studieschuld (23%), maar ook heeft 19% van de 18-plussers al een betalingsachterstand. Dat zijn bijvoorbeeld openstaande rekeningen voor de zorgverzekeraar, onbetaalde boetes en betalingsachterstanden bij de Belastingdienst. Bij 41% van hen gaat het daarbij om een bedrag van minder dan 100 euro, maar bij 20% om een bedrag van 2.500 euro of meer. Ook leent 17% bij familie, vrienden of zijn bank. Daarbij is het opvallend dat betalingsachterstanden of geleend geld door de meeste jongeren die daarmee te maken hebben, niet als schuld gezien wordt. De uitdaging is om jongeren bewuster te maken van wat lenen is en wat het maken van schulden voor gevolgen kan hebben.

nibud 18plussers en schulden

Bijna iedereen tussen 12 en 18 jaar kan goed rondkomen, spaart iedere maand en leent, als er geleend wordt, slechts kleine bedragen. Toch komt er bij de 18- t/m 24-jarigen een omslag: jongeren komen minder goed rond, krijgen betalingsachterstanden, lenen bij anderen en sommigen staan zelfs frequent rood. Het Nibud denkt dat veel hiervan is te voorkomen als jongeren tussen de 15 en 17 jaar goed worden voorgelicht over hun geldzaken — dat is een cruciale leeftijdsfase. Uitleg over de financiële verantwoordelijkheden vanaf je 18de, het betalen van rekeningen of de meerwaarde van internetbankieren of een mobiel bankieren app kan leiden tot meer grip op hun geld en zo tot minder schulden. Ook is het te zien dat de jongeren die hun rekeningen controleren, minder vaak betalingsachterstanden hebben.

Voor alle jongeren zijn ouders de belangrijkste leerbron; 89% van alle jongeren leert van ouders over geldzaken en 47% van vrienden. Dit geldt niet alleen voor scholieren, maar ook voor jongeren van 18 jaar en ouder. Ook na hun 18e blijven ouders voor jongeren nog steeds hun belangrijkste gesprekspartner. Van de 18-plussers praat 63% minstens één keer per maand met zijn ouders over geldzaken; 52% doet dat met vrienden. Het blijkt dat jongeren hun vrienden vooral raadplegen om geldzaken mee te vergelijken, en dat ouders degenen zijn die hen van informatie voorzien. Zelfs uitwonende jongeren geven aan dat hun ouders het belangrijkst zijn als informatiebron. Gesprekken over geld vinden wel minder frequent plaats dan bij thuiswonende jongeren.

Van alle jongeren heeft 73% wel eens vragen over geldzaken of behoefte aan informatie. Het percentage jongeren dat vragen heeft neemt toe met de leeftijd. Ook de vragen veranderen naarmate jongeren ouder worden. Het Nibud ziet hier een grote rol voor ouders, het onderwijs en het bankwezen. Zij kunnen inspringen op de informatiebehoefte van jongeren en hen begeleiden in hun weg naar financiële zelfstandigheid.

De overgrote meerderheid van de jongeren spaart: 81%van de 12- tot en met 14-jarigen, 89% van de 15- tot en met 17-jarigen en 93% van de 18- tot en met 24-jarigen. Het spaarbedrag per maand neemt beduidend toe met de leeftijd, het gemiddelde loopt op van 23 euro bij de 12- tot en met 14-jarigen tot 200 euro bij de 18-plussers. Wel sparen jongeren naarmate ze ouder worden meer wat er over blijft, in plaats van een vast bedrag per maand. Dit laatste komt wellicht mede door de afnemende invloed van de ouders: van de jongeren tussen de 12 en 14 jaar wordt 40% door de ouders verplicht een deel van de inkomsten te sparen. Bij de 15- tot en met 17-jarigen is dit 29% en bij de (thuiswonende) 18- tot en met 24-jarigen 18%.

nibud sparen

*Het onderzoek is uitgevoerd met medewerking van Rabobank Nederland. Er is gebruik gemaakt van een online vragenlijst via het StemPunt-panel van Motivaction en het panel van Opinieland van SSI. In totaal hebben 1.511 personen in de leeftijd van 12 t/m 24 jaar de complete vragenlijst beantwoord. De netto steekproef is representatief voor jongeren in de leeftijd van 12 tot en met 24 jaar in Nederland qua leeftijd, opleiding, geslacht en dagbesteding (school, studie, werkend). Het veldwerk is uitgevoerd in de periode 20 juni t/m 1 juli 2014.

Nibud: ‘Ouders geven kind 5 euro voor rapport, en 50 euro aan cadeaus voor verjaardag’

Drie van de vijf basisschoolleerlingen krijgen rapportgeld, doorgaans rond de € 5 per rapport. Het inkomen van de ouders of de leeftijd van het kind speelt hierbij geen rol. Dit blijkt uit onderzoek* (pdf) van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) naar het ‘geldgeefgedrag’ van ouders en de invloed van kinderen en andere ouders hierop. Aan verjaardagscadeaus besteden ouders doorgaans € 50 per kind. Bij het vaststellen van de hoogte van het rapportgeld, zakgeld en geld voor cadeaus kijken ouders vooral naar wat ze willen en kunnen betalen en niet naar wat de omgeving doet. Wel hebben kinderen veel invloed op het geefgedrag van de ouders.

Uit het Nibud-onderzoek blijkt dat 14% van de ouders op geen enkele manier een beloning geeft voor het rapport. Een kwart van de ouders geeft een cadeau in plaats van geld. En 63% geeft doorgaans € 5 voor het rapport. De meeste ouders doen dit om hun kind te belonen voor de prestaties en een kwart van de ouders doet dit om hun kind te stimuleren en te motiveren. Ouders bepalen zelf of ze wel of geen geld voor het rapport geven en laten zich daarbij niet door hun omgeving beïnvloeden.

Een kind krijgt doorgaans voor € 50 aan verjaardagscadeaus van de ouders. De leeftijd speelt hierbij geen rol, wel het inkomen van de ouders. Huishoudens die meer dan € 3.000 netto per maand te besteden hebben, geven doorgaans € 65 uit. Bij het bepalen van het bedrag kijken de ouders naar wat ze maximaal willen uitgeven, wat het cadeau kost dat hun kind wil hebben en naar wat ze kunnen uitgeven.

De meeste ouders bepalen zelf het bedrag dat ze willen geven:

  • Eerst kijken ouders naar wat ze willen en kunnen betalen
  • Bij cadeaus speelt ook mee wat het kind wil hebben
  • Bij rapportgeld speelt mee wat de ouder vroeger zelf als kind kreeg
  • Bij zakgeld speelt mee hoeveel andere ouders geven

Ouders bepalen zelf of en hoeveel ze geven aan hun kinderen. Wel wordt in de gaten gehouden wat andere ouders geven. Het merendeel van de ouders denkt dat zij evenveel zakgeld en geld aan verjaardagscadeaus besteden als andere ouders. Ouders willen niet graag afwijken van wat ‘normaal’ is. Een vijfde (20%) van de ouders baseert het bedrag dat ze aan zakgeld geven op wat ze denken dat andere ouders geven. Het Nibud ziet dat hoe meer ouders verdienen, hoe meer er naar andere ouders wordt gekeken. Het lijkt erop dat als er geen harde financiële grens is, en de ouder in principe alles zou kunnen betalen, ouders een andere grens zoeken bij het bepalen van een geschikt bedrag.

geen sociale druk

De helft van de ouders zwicht wel eens als hun kind ze vraagt iets te kopen wat anderen hebben. Zeker in de supermarkt worden ouders flink beïnvloed door hun kinderen: 17% van de ouders koopt vaak iets wat het kind wil en 70% soms. Ook hier ziet het Nibud: hoe hoger het inkomen hoe sneller ouders tegemoet komen aan de wensen van hun kinderen. Deze ouders geven vaker hun kinderen spullen die het kind wil hebben omdat leeftijdsgenoten het ook hebben (13% van de ouders met een inkomen hoger dan € 3.000 versus 4% van de ouders met een inkomen lager dan € 2.000 netto per maand).

als ze iets willen hebben

Het Nibud raadt ouders aan vooral standvastig te zijn en niet te snel te zwichten voor de wensen van hun kinderen. Voor de financiële opvoeding is het belangrijk dat kinderen leren dat er grenzen aan hun wensen zitten, ook al hebben ouders financieel gezien de middelen om mee te gaan in de wensen van het kind.

Voor de financiële opvoeding van kinderen is rapportgeld niet nodig. Zakgeld is wel echt leergeld en het Nibud vindt het belangrijk dat kinderen dat vanaf 6 jaar structureel krijgen. Hoeveel zakgeld ouders geven zou moeten afhangen van wat de ouders kunnen betalen en wat ze vinden dat het kind ervan moet kopen. Ook bij verjaardagscadeaus raadt het Nibud aan vooral te kijken naar wat ouders kunnen betalen. Het Nibud vindt het belangrijk dat kinderen leren dat niet alles financieel gezien mogelijk is.

*Voor dit onderzoek hebben 990 ouders met kinderen tussen de 5 en 11 jaar een online vragenlijst ingevuld. De ouders zijn geworven via het panel Opinieland Survey Sampling International. De veldwerkperiode vond plaats van 9 – 12 december 2013. Het onderzoek is representatief voor alle ouders met kinderen in deze leeftijdscategorie.

Nibud: ‘Meer uitgaven op de middelbare school, maar minder afspraken’

De overgang van basisschool naar middelbare school leidt vaak tot meer financiële zelfstandigheid voor kinderen. Ze krijgen meer te besteden en gaan meer uitgeven. Toch heeft 42% van de jonge tieners niet gesproken over wie wat betaalt. Een gemiste kans, want praten over geldzaken is een goede manier om kinderen al vanaf jonge leeftijd financieel bewust te maken, zo blijkt uit onderzoek (pdf)* van platform Wijzer in geldzaken en het Nibud in het kader van de Week van het geld. Het doel van deze week is om basisschoolleerlingen te leren omgaan met geld.

Scholieren krijgen meer geld te besteden na de overgang naar de middelbare school. Zo krijgen acht van de tien kinderen meer zakgeld. Tegenover deze inkomstengroei staat ook een toename van de uitgaven. Eten en drinken, schoolspullen, de mobiele telefoon, leuke dingen doen, kleding, bijna alle uitgaven van jongeren nemen op de middelbare school toe. Van de middelbare scholieren koopt 33% bijvoorbeeld minstens 1x per week iets te eten of drinken tijdens of na schooltijd, tegen 8% van de kinderen op de basisschool. De toename van de uitgaven leidt er echter niet toe dat de scholieren slechter of beter met hun geld omgaan.

Middelbare scholieren maken daarnaast minder vaak afspraken met hun ouders over de besteding van hun eigen geld (zakgeld, bijverdiensten, rapportgeld) dan basisschoolleerlingen. Op de middelbare school heeft 28% hierover geen afspraken gemaakt, tegen 19% op de basisschool. Daarnaast verandert ook het karakter van de afspraken. Op de basisschool is de belangrijkste afspraak dat alle aankopen vooraf worden overlegd. Op de middelbare school zijn afspraken meer gericht op het scheppen van kaders: wat moet worden gekocht en wat mag wel en niet worden gekocht?

Een groot deel van de basisschoolleerlingen verwacht nog in gesprek te gaan over wie wat betaalt zodra ze naar de middelbare school gaan. Een groot deel van de middelbare scholieren geeft aan dat ze dit gesprek nooit hebben gevoerd. Een groter deel van de ouders geeft aan dat dit gesprek wel gevoerd is. Dit is blijkbaar niet voldoende overgekomen. Praten over geldzaken vormt een belangrijk onderdeel van de financiële opvoeding. Kinderen zien hun ouders als belangrijkste informatiebron als het gaat om geldzaken, zo blijkt uit eerder onderzoek van het Nibud.

Op de weg naar zelfstandigheid vormt de overgang naar de middelbare school een goed moment om het gesprek aan te gaan. Uitgaven nemen toe en de controle van ouders neemt af. Kinderen krijgen meestal niet direct geldproblemen als ze naar de middelbare school gaan, maar kunnen (zo blijkt uit eerder onderzoek) als ze ouder worden onverantwoord financieel gedrag gaan vertonen. Met behulp van zakgeld, maar juist ook door te praten over geldzaken kunnen ouders hun kinderen al vanaf jonge leeftijd leren met geld om te gaan.

Met bijna 5.000 gastlessen op school en vele andere activiteiten in de klas of thuis, leren kinderen in het basisonderwijs tijdens de Week van het geld een week lang alles over omgaan met geld. De vierde editie van deze actie vindt plaats van 10 tot en met 14 maart 2014. Door kinderen al jong financieel bewust te maken, wordt de basis gelegd voor financiële zelfredzaamheid op volwassen leeftijd, zo is de gedachte: jong geleerd is oud gedaan.

[youtube http://www.youtube.com/watch?v=tWMegoQlegY]

*Platform Wijzer in geldzaken en het Nibud deden onderzoek onder ruim 500 kinderen (uit groep 8, of de 1e, of 2e klas) en één van hun ouders naar de overgang van basisschool naar middelbare school. Het onderzoek vond plaats in het kader van de Week van het geld. Wijzer in geldzaken is een initiatief van het ministerie van Financiën, waarin partners uit de financiële sector, de wetenschap, de overheid en onderwijs-, voorlichtings- en consumentenorganisaties hun krachten bundelen om verantwoord financieel gedrag in Nederland te bevorderen.

Nibud: ‘Ouders belangrijker dan vrienden, als het om geld gaat’

Middelbare scholieren praten vaker en meer met ouders over geld dan met vrienden en  broers of zussen. Scholieren geven zelf aan dat hun ouders de belangrijkste leer- en informatiebron over geld zijn. Maar liefst 82% van de scholieren praat iedere maand met ouders over geld, blijkt uit het onderzoek* Scholieren, geld & de invloed van ouders (pdf) van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud). Het onderzoek laat zien dat ouders veel invloed hebben op het leen- en spaargedrag van scholieren, die zich ook graag door hun ouders laten helpen.

Daarnaast blijkt dat scholieren meer sparen en minder lenen als er thuis zak- en kleedgeld wordt gegeven en als ouders actief betrokken zijn bij de financiële opvoeding. Het Nibud vindt het positief om te zien dat hoewel vrienden op de middelbare school een steeds grotere plaats in het leven van scholieren innemen, de ouders nog steeds een belangrijke rol spelen op het gebied van geld.

Ruim 80% van de scholieren praat minimaal een keer per maand met zijn ouders over geld. Met vrienden doet 61% van de scholieren dat, en met broers of zussen 37%. Meisjes praten meer met hun ouders dan jongens. En hoe ouder ze zijn, hoe meer scholieren over geld praten. Scholieren die regelmatig met hun ouders praten over geldzaken hebben ook vaker van hun ouders geleerd om te sparen, bewust geld uit te geven en te internetbankieren.

  • Mijn ouders helpen mij om te sparen, zegt 53% van de scholieren.
  • Mijn ouders helpen mij geld bewust uit te geven, zegt 65% van de scholieren.
  • Mijn ouders leren mij internetbankieren, zegt 70% van de scholieren.

Scholieren die regelmatig met hun ouders praten over geld, lenen minder vaak dan scholieren die niet met hun ouders praten (34% tegen 44%). Uit het onderzoek blijkt ook dat scholieren vaker sparen als de ouders helpen bij het bewust uitgeven van geld. Daarnaast blijkt dat scholieren die zak- en kleedgeld krijgen vaker sparen dan scholieren die dat niet krijgen (85% tegen 77% ).

Opvallend vindt het Nibud het dat scholieren ook zelf aangeven dat zij het meest van hun ouders leren over geldzaken. Bijna tweederde van de scholieren (64%) zegt dat zij het meest van hun ouders leren. En scholieren die regelmatig met hun ouders praten over geld vinden hun ouders een belangrijkere leerbron dan scholieren die bijna nooit met hun ouders over geld praten (70% tegen 38%). Het Nibud benadrukt dan ook dat ouders met hun kinderen het gesprek over geld moeten aangaan en samen afspraken maken. Ook diverse internationale onderzoeken laten positieve verbanden zien tussen de rol die ouders spelen op het gebied van financiële opvoeding en het financiële gedrag van kinderen.

*Het onderzoek Scholieren, geld & de invloed van ouders is een verdiepingsonderzoek van het Nibud Scholierenonderzoek 2012-2013, dat in mei 2013 is gepubliceerd. Van november 2012 tot en met februari 2013 hebben 3.896 scholieren de online vragenlijst ingevuld. Scholieren die hun mailadres hadden achtergelaten, is gevraagd een tweede vragenlijst in te vullen; 1.198 respondenten hebben deze tweede vragenlijst ingevuld. De respondenten zijn herwogen naar geslacht, leeftijd en provincie zodat het onderzoek een representatieve weergave geeft van scholieren op vmbo, havo en vwo in Nederland. Het onderzoek is uitgevoerd met medewerking van Stichting Weet Wat Je Besteedt.

Onderzoek naar houding en gedrag van scholieren in geldzaken: ‘Impulsieve jongere loopt financieel meer risico’

Impulsieve scholieren geven meer geld uit, sparen minder vaak, komen vaker geld te kort, lenen vaker en hebben hogere belkosten. Er zijn minder scholieren die zich schamen voor schulden: was dat in 2010 nog 68%, nu is dat gezakt naar 60%. Ook is het percentage scholieren dat  later rijk willen worden gedaald van 65% in 2010 naar 54% in 2013. Dit blijkt uit het onderzoek MoneyMindsets van Scholieren (pdf) uitgevoerd door het Nibud in opdracht van Stichting Weet Wat Je Besteedt (WWJB) onder bijna 4.000 scholieren.

Het onderzoek onderstreept de noodzaak voor financiële educatie voor scholieren. Daarom heeft Stichting Weet Wat Je Besteedt de nieuwe online game en les MoneyMatters (ondertitel: Waar sta jij op je 30ste?) gelanceerd. In de les moeten leerlingen keuzes maken over de inzet van hun tijd en geld en ervaren zij de gevolgen hiervan, waardoor zo beter voorbereid zijn op geldzaken in de toekomst. Door de ervaring in een spelomgeving krijgen jongeren zicht op de financiële gevolgen van hun gedrag. De simulatiegame is ontwikkeld in samenwerking met SNS Operations en gameontwikkelaar IJsfontein.

Directeur Thea Hazel-Stals van WWJB is geschrokken door de resultaten van het onderzoek: “Veel scholieren denken op het moment dat ze geld krijgen ook meteen aan wat ze er mee willen doen. Maar liefst 43% heeft meteen een bestedingsdoel; dit was in 2010 nog 35%. Vanuit eerder onderzoek weten wij dat zogenaamde Levensgenieters* en Trendsetters* het beduidend lastiger vinden om met geld om te gaan. Ze leven wat vrijer en zijn veel impulsiever. Van alle scholieren hoort 34% tot het type Trendsetter en 25% is Levensgenieter, dus we hebben het over een grote groep. En die groep krijgt het moeilijker. Ten opzichte van 2010-2011 komen meer Levensgenieters en Trendsetters nu geld tekort: twee jaar geleden kwam 49% van de Trendsetters en 59% van de Levensgenieters soms of vaak geld tekort. Nu is dit respectievelijk 59% en 65%.”

Regelaars en Toekomstplanners, die minder impulsieve geldtypes onder jongeren, doen het op financieel gebied goed: ze sparen nagenoeg allemaal en bijna driekwart van hen komt nooit geld te kort. Slechts 3% van de Regelaars en 1% van de Toekomstplanners komt vaak geld tekort, tegen 13% van de Trendsetters en Levensgenieters. Trendsetters en Levensgenieters geven relatief veel geld uit aan kleding en schoenen en belkosten. Trendsetters zijn bovendien veel geld kwijt aan openbaar vervoer en Levensgenieters hebben hoge verzekeringskosten.

uitgaven

*Trendsetter, Regelaar, Levensgenieter of Toekomstplanner? Volgens onderzoek door Motivaction in 2010 behoort 30% van de Nederlandse jongeren tussen 12 en 25 jaar tot de MoneyMindset ‘Trendsetter’ (onder scholieren is dat 34%). Deze groep scoort het hoogst op ‘statusgerichtheid’ en ‘impulsiviteit’ en het laagst op ‘behoefte aan controle’.  29 Procent van de Nederlandse jongeren behoort tot de Regelaars (onder scholieren 25%). Zij scoren hoog op ‘behoefte aan controle’ en vrij laag op ‘impulsiviteit’ en ‘statusgerichtheid’. De Levensgenieter representeert 25% van de Nederlandse jeugd en scholieren. Deze groep scoort hoog op ‘impulsiviteit’ en laag op ‘statusgerichtheid’. De Toekomstplanner, de kleinste groep, omvat 16% van de Nederlandse jongeren en scholieren. Deze groep scoort hoog op ‘statusgerichtheid’ en laag op ‘impulsiviteit’.

 

Nibud-onderzoek: ‘70% van de kinderen op de basisschool krijgt zakgeld’

Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) vindt dat in principe ieder kind zakgeld nodig heeft, omdat het daarmee leert omgaan met geld. Het instituut adviseert om rond zes jaar met zakgeld te beginnen. Uit het Nibud Kinderonderzoek 2013* (pdf) blijkt zo’n 45% van alle vijfjarigen al zakgeld te krijgen. Het Nibud is verrast over dit hoge percentage en had niet verwacht dat zoveel ouders al aan hun vijfjarigen zakgeld geven. In totaal krijgt 70% van de kinderen op de basisschool zakgeld.

Het Nibud is verbaasd over het hoge percentage tienjarigen dat nog geen zakgeld krijgt: 19%. De belangrijkste reden voor deze ouders om geen zakgeld te geven is dat zij vinden dat hun kind geen zakgeld nodig heeft, omdat zij alles voor hun kind betalen.

Eén op de zes tienplussers is nog op geen enkele manier met geld bezig. Ze spelen niet met geld, tellen hun geld niet en vinden het niet leuk om zelf iets te kopen. Dit gebeurt met name bij kinderen die geen zakgeld krijgen. Maar liefst 13% van de tienplussers denkt dat geld onbeperkt uit de geldautomaat komt. Het Nibud vindt ouders die geen zakgeld geven  onverstandig. Kinderen met zakgeld kunnen de waarde van geld en producten beter inschatten, kopen vaker zelf dingen van hun eigen geld en maken vaker een spaarplan. Zo leren ze keuzes maken en planmatig met geld om gaan. De twee belangrijkste redenen van ouders om geen zakgeld te geven zijn: het kind is nog niet met geld bezig (25%) en zakgeld is overbodig omdat de ouder alles betaalt (20%).

De meeste kinderen krijgen iedere week zakgeld. Een kind van vijf krijgt doorgaans € 0,50 per week. Een kind van elf jaar € 2,-. De hoogte van het inkomen van de ouders blijkt niet van invloed op de hoogte van het zakgeld. Wel denkt een kwart van de ouders met een inkomen beneden modaal minder zakgeld te geven dan gemiddeld. Het onderzoek van het Nibud wijst echter uit dat deze gedachte ongegrond is. Het Nibud benadrukt in het onderzoek dat je niet te weinig zakgeld kunt geven. Belangrijker is dat het zakgeld op een vast moment wordt gegeven en dat er afspraken zijn gemaakt over wat het kind wel en niet mag doen met het geld. Zo leert een kind keuzes maken met een vast budget. Nu krijgt driekwart van de kinderen op een vast moment zakgeld. Eén op drie kinderen is volledig vrij in het besteden van het geld. Dit laatste vindt het Nibud een gemiste kans. Kinderen moeten juist leren dat een bepaald gedeelte van het geld is bedoeld voor bijvoorbeeld cadeautjes of om mee te sparen, daardoor leren kinderen planmatig met geld om te gaan.

hoogte zakgeld

Bijna tweederde (64%) van de tienplussers heeft een mobiele telefoon. Meestal betalen de ouders alle kosten, tenzij er een overschrijding van het afgesproken bedrag plaats vindt. De meeste 10- en 11- jarigen zijn zo’n vijf euro per maand kwijt aan telefoonkosten. Driekwart van de ouders hebben met hun kind afgesproken wat het wel en niet met de telefoon mag doen. Een minderheid (45%) heeft afspraken gemaakt over wie de telefoon betaalt als deze kapot gaat of kwijtraakt. Het Nibud raadt ouders aan ook daar afspraken over te maken, omdat kinderen op die manier leren dat je geld moet reserveren voor het vervangen van spullen als ze kapot gaan of aan vervanging toe zijn.

Ouders spelen door hun eigen (financiële) opvoeding, houding en gedrag een belangrijke rol bij het geldgedrag van hun kinderen. Uit het Nibud-kinderonderzoek blijkt dat ouders die meer op de korte termijn zijn gericht, minder vaak zakgeld geven en dat hun kinderen minder vaak sparen dan kinderen van ouders die meer op de lange termijn zijn gericht. (64% versus 71% ). Het Nibud vindt het positief om te zien dat de meeste ouders altijd aanwezig zijn als hun kind een aankoop doet en het begeleiden bij het pinnen. De meeste ouders geven hun kind stapsgewijs meer vrijheid bij het omgaan met geld.

De populairste uitgavenpost van kinderen is kleine ‘speeltjes’ (accessoires/gadgets), dit geldt voor alle leeftijden. De helft van de kinderen wil graag spullen hebben die zij op de televisie zien.

uitgaven

invloed reclame

Uit het Nibud-kinderonderzoek blijkt ook dat 47% van basisschoolleerlingen een eigen bankrekening heeft. Hoe ouder hoe vaker ze dat hebben. Van de kinderen van 10 jaar en ouder heeft 63% een eigen bankrekening, een kwart heeft een pinpas en 15% pint weleens. Het Nibud stelt dat kinderen vanaf hun twaalfde in staat moeten zijn te leren pinnen. Wel vindt het Nibud belangrijk dat kinderen al eerder leren omgaan met digitaal geld en zou het Nibud graag zien dat meer kinderen van tien jaar en ouder een eigen bankrekening hebben. Bovendien zou het leerzaam zijn als kinderen ook zelf hun bankrekening en afschrijvingen  (leren) bekijken, nu doet 60% van de kinderen met een bankrekening dat niet.

*Het Nibud-kinderonderzoek 2013 is representatief voor alle kinderen op de basisschool. Voor dit onderzoek zijn 1.622 ouders van kinderen tussen 5 en 12 jaar die op de basisschool zitten ondervraagd. De ouders zijn geworven via het Opinieland panel van Survey Sampling International (SSI). De veldwerkperiode liep van 31 mei tot en met 10 juni 2013. Het onderzoek tot stand gekomen met hulp van de ING.

Nibud Scholierenonderzoek 2012-2013: ‘Ouders laten scholieren meer zelf betalen’

Ouders betalen veel minder vaak voor alles wat hun kinderen willen kopen. Twee jaar geleden betaalde 61% van de ouders alle kleding en schoenen voor hun kinderen, nu doet 48% dat. Van de ouders van 17- en 18-jarigen betaalt 17% alle kosten van het mobieltje van hun kinderen, twee jaar geleden was dat 35%. In 2011 kreeg 35% van de scholieren kleedgeld, nu 40%. Dit blijkt uit het Nibud Scholierenonderzoek 2012-2013* (pdf) dat het Nibud met medewerking van Stichting Weet Wat Je Besteedt heeft uitgevoerd.

Het Nibud vindt het een positieve ontwikkeling dat ouders hun kinderen meer zelf laten betalen. Twee jaar geleden betaalde 13% van de ouders alle kosten voor snoep en snacks, nu is dat nog 9%. Ook cadeautjes moeten kinderen vaker helemaal zelf bekostigen. Twee jaar geleden betaalde een kwart van de ouders dit nog helemaal, nu doet nog maar 17% dat.

Het Nibud is vooral blij dat ouders minder vaak alle kleding betalen. Scholieren die verantwoordelijk zijn voor de aanschaf van hun eigen garderobe leren (financieel) plannen en keuzes maken, is de gedachte. Een kwart van de scholieren heeft moeite om overzicht te houden over inkomsten en uitgaven. Het Nibud ziet dat hoe ouder de scholieren zijn, hoe moeilijker ze dit vinden. Door kinderen meer van hun eigen geld te laten betalen, leren ze met dit soort lastige zaken omgaan.

Uit het onderzoek blijkt verder dat 44% van de scholieren zegt dat er op school nog nooit aandacht is besteed aan omgaan met geld. Deze scholieren leren dus alleen thuis met geld om te gaan. Wel wordt op het vmbo vaker (73%) aandacht aan omgaan met geld besteed dan op het vwo (54%).

De scholieren zijn zuiniger geworden in vergelijking met twee jaar geleden. Ze hebben gemiddeld meer inkomsten en geven gemiddeld minder uit. Er komt gemiddeld 118 euro per maand binnen en ze geven gemiddeld 92 euro uit. Twee jaar geleden hadden ze 103 euro te besteden en gaven ze 113 euro uit. Ook ziet het Nibud dat er meer scholieren sparen dan twee jaar geleden. Nu spaart 52% van de scholieren automatisch een vast bedrag, twee jaar geleden was dat 46%. Het lijkt erop dat scholieren bewuster met hun geld omgaan. Dit is de top 5 uitgaven naar leeftijd:

Zo’n 80% van de scholieren heeft een smartphone (onder 12-jarigen is dat al 70%!). Hoe ouder hoe vaker er ook een internetbundel aan verbonden zit. De helft van de ouders betaalt alle telefoonkosten van hun kinderen. Slechts 28% van de scholieren betaalt alles zelf. Wel blijkt dat hoe ouder, hoe vaker de scholier zelf zijn telefoonkosten moet betalen. 20% van de 12-jarigen betaalt zijn eigen telefoonkosten tegen 49% van de 17-en 18-jarigen.

Het lijkt erop dat ouders hun zonen meer verwennen dan hun dochters. Het Nibud vindt het opvallend om te zien dat jongens meer geld van hun ouders krijgen en dat jongens minder zelf hoeven te betalen. Jongens krijgen gemiddeld € 65 kleedgeld en meisjes € 59. Bij jongens betaalt 60% van de ouders alle kleding; dit is bij 36% van de meisjes het geval. Ook ziet het Nibud dat meisjes hun vakanties vaker zelf (geheel of gedeeltelijk) moeten betalen dan jongens.

[*Lees zelf het rapport (pdf) voor veel meer info. Het NSO 2012-2013 is het twaalfde onderzoek in de reeks van Scholierenonderzoeken die het Nibud sinds 1984 heeft gehouden. Van november 2012 tot en met februari 2013 hebben 3.896 scholieren de online vragenlijst ingevuld. De respondenten zijn herwogen naar geslacht, leeftijd en provincie zodat het onderzoek een representatieve weergave geeft van scholieren op het vmbo, havo en vwo in Nederland.]

Kids en Jongeren Marketing blog website is van Euroforum BV. Privacy statement | Cookie statement | Copyright ©2020