Onderzoek Week van de Mediawijsheid: ‘Kinderen hebben online sterk moreel kompas, behalve bij fact checking’

Kinderen willen zich online over het algemeen heel verantwoordelijk gedragen. Eerlijkheid en de privacy van anderen zijn belangrijke uitgangspunten bij hun gebruik van sociale media. Maar bij het controleren van feiten schiet die verantwoordelijkheid er nog wel eens bij in, zo blijkt uit het onderzoek Wat voor mediamaker ben jij? (pdf) naar de normen & waarden op sociale media, waaraan meer dan zesduizend kinderen tussen tien en twaalf jaar meededen. Het onderzoek werd gehouden in het kader van de Week van de Mediawijsheid.

Volgens Mary Berkhout, programmamanager van organisator Mediawijzer.net, ligt hier onder meer een taak voor professionele mediamakers weggelegd: “Zij moeten uiteindelijk het goede voorbeeld geven.”

De Week van de Mediawijsheid (20 t/m 27 november) stond dit jaar in het teken van ‘Media & Respect’. Om erachter te komen hoe respectvol kinderen zich online gedragen en wat hun overwegingen daarbij zijn, liet Mediawijzer.net onderzoek doen onder meer dan zesduizend basisschoolleerlingen. Kinderen uit groep 7 en 8 werden aan de hand van verschillende dilemma’s gevraagd welke keuzes ze zouden maken rond thema’s als commercie, privacy, blaming en shaming en fact checking. Op het laatste gebied is nog verbetering nodig, zo laat het onderzoek zien.

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat het met het morele kompas van de meeste kinderen wel goed zit, viel ook Berkhout op: “Of het nu gaat om eerlijk zijn over gesponsorde producten in vlogs of om toestemming vragen voordat je een filmpje van een ander online zet: dit onderzoek laat zien dat kinderen zich online vaak heel verantwoordelijk gedragen.” Zo is bijvoorbeeld aan kinderen gevraagd of ze op een vlog een gesponsord product zouden laten zien, ondanks dat ze het eigenlijk maar rommel vinden. Eerlijkheid blijkt hierbij het voornaamste uitgangspunt: zowel bij de kinderen die ervoor kiezen het product wel te laten zien en eerlijk hun mening te geven (meer dan 70%), als bij de kinderen die het niet tonen om zo eerlijk te kunnen blijven (meer dan 60%).

alles laten zien

Bij het controleren van een bericht voordat ze het delen op sociale media gaan kinderen minder voorzichtig te werk, zo komt uit het onderzoek naar voren. Meer dan een derde van de ondervraagde kinderen zou een gevoelig bericht doorsturen zonder te checken of de inhoud eigenlijk wel klopt. Bijvoorbeeld omdat ze vinden dat je de meeste berichten nu eenmaal niet zo serieus moet nemen (meer dan 50%), het niet als hun taak zien om berichten te checken (meer dan 30%) of niet weten hoe ze dat zouden moeten doen. Uit een Ofcom-studie bleek recentelijk al dat het in Engeland niet veel anders is dan in Nederland: ‘Te veel kinderen denken de werkelijkheid te vinden op Google en YouTube’, schreef ik vorige week.

Hier ligt een grote taak voor ouders, opvoeders én professionele mediamakers weggelegd, vindt Berkhout: “Kinderen bezitten alle basisvaardigheden om uit te groeien tot verantwoordelijke mediagebruikers én –makers, maar op het gebied van fact checking kan het nog beter. Ga als ouder of onderwijzer met kinderen in gesprek om duidelijk te maken hoe belangrijk het is om waar van onwaar te kunnen onderscheiden. En geef als professionele mediamaker het goede voorbeeld. Natuurlijk door eigen stukken goed te controleren, maar ook door heel duidelijk te melden wanneer berichtgeving niet klopt en waar dit dan uit blijkt. Zo kunnen we samen kinderen helpen om goede fact checkers te worden.”

Vanochtend overhandigt Mediawijzer.net de conclusies van dit onderzoek aan de Raad voor Cultuur, het adviesorgaan dat in het najaar van 2016 een nieuw advies over mediawijsheid uitbrengt.

Ofcom-onderzoek: ‘Te veel kinderen denken de werkelijkheid te vinden op Google en YouTube’

Kijk, daar is de Britse communicatie-autoriteit Ofcom weer met een nieuw onderzoek. Uit het rapport Children and Parents: Media and Attitudes 2015 (pdf) komt naar voren dat Engelse kinderen van 8-15 jaar anno 2015 ruim 15 uur per week online zijn, meer dan twee keer zo lang als een decennium geleden. Hoewel deze groep is opgegroeid met internet, is er volop ruimte voor verbetering van hun digitale kennis en begrip. Zo denkt 8% van de 8-15-jarigen dat alle informatie van sociale netwerksites of apps waar is.

Eén op de vijf 12-15-jarigen in Engeland gelooft zonder meer de informatie die zoekmachines als Google of Bing presenteren en slechts één op de drie is in staat om betaalde advertenties in de zoekresultaten te identificeren. Kinderen richten zich steeds vaker tot YouTube voor ‘ware en accurate’ informatie over wat er gaande is in de wereld; de videosite is voor 8% van de jeugd de beste keuze voor dit soort informatie. 

MLA Research Sources for Select Committee evidence

“The internet allows children to learn, discover different points of view and stay connected with friends and family. But these digital natives still need help to develop the know-how they need to navigate the online world.” [James Thickett, Ofcom]

Aangezien het onderzoek al sinds 2005 uitgevoerd wordt, is de ontwikkeling (pdf) in de tijd mooi zichtbaar. Tien jaar geleden lag het mediagebruik van kinderen op een hoger niveau dan we ons waarschijnlijk herinneren, en niet eens zo heel verschillend van vandaag. Er is nu echter een veel rijkere en uitgebreidere online ervaring dan destijds het geval was. In de afgelopen jaren zijn tablets opgekomen als een standaard entertainmentscherm, met name onder jonge kinderen (meer dan de helft van de 3-/4-jarigen en driekwart van de 12-15-jarigen gebruiken nu een tablet, en voor alle leeftijdsgroepen (met uitzondering van 12-15 jaar) is dit het apparaat dat het meest gebruikt wordt om online te gaan). Daarnaast is er een kleine maar belangrijke daling van het tv-kijken via een tv (inmiddels besteden 12-15-jarigen bijna 3,5 uur per week langer online dan dat ze naar een televisietoestel kijken). De content die kinderen consumeren wordt steeds vaker samengesteld door digitale tussenpersonen, met inbegrip van aanbieders als YouTube en Google, die als betrouwbare bronnen worden gezien. De beweging richting kleinere schermen maakt het lastiger voor ouders om het mediagebruik te monitoren.

MLA Research Sources for Select Committee evidence

Dit zijn enkele andere conclusies uit de 2015-editie van deze grootschalige studie:

  • Het aantal 8-15-jarigen met een mobiele telefoon is gedaald sinds 2005, maar een kwart van de 8-11-jarigen en zeven op de tien 12-15-jarigen bezit nu een smartphone;
  • De mobiele telefoon is het apparaat dat 12-15-jarigen het meest zouden missen;
  • Tieners die zowel naar de tv als naar YouTube-content kijken, geven de voorkeur aan YouTube-video’s boven tv-programma’s;
  • Minder 12-15-jarigen noemen Facebook als belangrijkste sociale netwerk, ten gunste van Snapchat;
  • Bijna driekwart (72%) van de 12-15-jarigen denken dat de meeste mensen zich anders gedragen als ze online zijn;
  • Tweederde (67%) van de meisjes met een socialemedia-account zegt dat er dingen zijn die ze niet leuk vinden aan sociale media, ze maken zich met name zorgen om roddels (30%) en onvriendelijkheid (23%);
  • Bijna een derde (31%) van de 12-15-jarigen geeft toe soms te veel tijd te besteden aan sociale media;
  • Minder dan de helft van de 12-15-jarigen zijn zich bewust van betaalde promoties door vloggers of van gepersonaliseerde reclame;
  • Negen van de tien ouders (92%) managen het internetgebruik van hun kroost op een of andere manier, bijna alle kinderen (97%) herinneren zich advies te hebben gekregen over veiligheid online;
  • Het overgrote merendeel (84%) van de kinderen van 8-15 jaar zegt dat ze het hun ouders, medegezinsleden of leraren vertellen als ze iets vervelends online zien, maar 6% zegt dit tegen niemand te vertellen.

Klik hier voor meer, veel meer informatie (en alle rapportages). Interessante kost!

Waarom reclame het kinderbrein beïnvloedt: $17 miljard aan commercie niet als zodanig herkend

Onder de noemer This Is Your Brain on Advertising heeft Science of Us (NYMag.com) een aardige serie animatievideo’s geproduceerd over de werking van reclame. Daarbij werd ook uitgelegd waarom kinderen zo kwetsbaar zijn, als het gaat om marketing. Geen nieuwe informatie, maar wel aardig om wat feitjes op deze manier op een rijtje te zien. Een kind ziet gemiddeld zo’n 25.000 tv-commercials per jaar, plus een behoorlijke hoeveelheid advertenties en ‘product placement’ op het internet en in andere media.

In de VS besteden bedrijven jaarlijks circa 17 miljard dollar aan reclame gericht op de jeugd. En dat terwijl jonge kinderen al een merkvoorkeur zouden kunnen ontwikkelen na het zien van slechts één reclame-uiting. Pas als ze een jaar of 11 of 12 zijn kunnen ze commerciële en niet-commerciële boodschappen goed van elkaar onderscheiden en hebben ze het volledige besef dat er gepoogd wordt hen iets te verkopen en dat de niet geheel volgens de werkelijkheid gebeurt. Zie onderstaande video voor meer.

Goed nieuws voor adverteerders dus: kinderen zijn heel erg beïnvloedbaar. Tegelijkertijd is dat voor opvoeders reden tot zorg. Eerder schreef ik naar aanleiding van een Nederlandse analyse: normaliseren is het credo.

Mediawijsheid in Vlaanderen: “Ouders weten nauwelijks wat hun kinderen online doen”

Mediawijs.be, het Vlaams Kenniscentrum Mediawijsheid, onderzocht samen met het Joint Research Centre (JRC) van de Europese Commissie hoe jonge kinderen en hun ouders omgaan met (digitale) media. Ze koppelde dit aan de recentste data van verschillende Vlaamse, nationale en internationale monitors naar (digitaal) mediagebruik. De onderzoeksresultaten (pdf) werden vandaag gepresenteerd op het Vlaams Mediawijs Congres. Daar werd ook aangekondigd dat er een nieuwe website over mediaopvoeding op komst is. 

De meeste ouders zien het stijgend mediagebruik van hun kinderen als positief, maar vooral ook als een uitdaging. Veel ouders zijn zich nauwelijks bewust van wat hun kinderen online doen. Mediawijs.be lanceert daarom volgend jaar een website samen met heel wat partners om ouders te ondersteunen bij hun mediaopvoeding.

Vlaams minister cultuur, media, jeugd en Brussel Sven Gatz: “Met dit project biedt het kenniscentrum mediawijsheid een goede ondersteuning aan ouders om samen met hun kinderen op een wijze manier te leren omgaan met media. Kinderen worden vandaag op jonge leeftijd geconfronteerd met nieuwe technologieën en communicatiekanalen en dat brengt heel wat uitdagingen met zich mee. Zowel voor ouders als voor kinderen. Mediawijsheid is een belangrijke klemtoon binnen mijn mediabeleid. Het kenniscentrum mediawijsheid wil iedereen stimuleren om slim en bewust om te gaan met media door risico’s goed te leren inschatten maar ook de opportuniteiten te benutten.”

Kinderen (-12) kunnen vrij goed aan de slag met digitale media. “Ik verschiet er van hoe handig ze is met de tablet, vooral met dat touchscreen. Terwijl ze bij de TV niet op pauze of stop kan drukken”, aldus een moeder over haar 3-jarige dochter in het onderzoek. Zo weten de meeste kinderen welke knop ze moeten indrukken om hun favoriete spelletje te spelen. Ze leren dat via andere gezinsleden, door te kijken en door hulp, of door zelf te experimenteren. Dat kinderen filmpjes kunnen bekijken en spelletjes spelen, wil echter niet zeggen dat ze weten wat er allemaal ‘online’ gebeurt. Het merendeel kent dan ook de bijhorende risico’s en opportuniteiten niet.

Jongeren (+12) gebruiken het internet om zich te informeren, te communiceren en zichzelf te entertainen. Ze doen dat vaker en vlotter dan volwassenen, zeker wat betreft het online delen van foto’s. Maar in tegenstelling tot wat we vaak denken, maken onze digital natives niet noodzakelijk meer gebruik van alle online mogelijkheden. Zo zullen ze, net zoals volwassenen, in beperkte mate online participeren, zoals een blogpost maken of een tweet posten. Ook niet alle jongeren gebruiken digitale media op dezelfde wijze, er zijn zelfs heel grote verschillen merkbaar. Zowel bij kinderen, als jongeren is er daarom nog veel ruimte voor begeleiding in hun digitaal mediagebruik en mediawijsheid.

De meeste ouders zien digitale media als positief, maar tegelijk ook als een uitdaging. Bij jongere kinderen (-8) zijn ze vooral bezorgd over een vorm van mediaverslaving. Heel veel ouders geven aan dat kinderen lijken ‘vast te plakken’ aan hun digitale media en soms zelfs moeilijkheden hebben om een verschil te maken tussen de realiteit en het spel/video.

De kans dat hun kinderen via digitale media ongewenste contacten hebben of geconfronteerd worden met ongepaste inhoud (geweld, bloot, seks en/of taalgebruik), schatten ouders als laag in. Ze denken dat hun kinderen niet vaardig genoeg zijn om dit tegen te komen of ernaar op zoek te gaan. Het merendeel van de ouders vertrouwt er dus op dat hun kinderen niet overdreven in de problemen zullen komen door het gebruik van digitale media. Pas wanneer hun kinderen wat ouder zijn, en sociale media gebruiken, worden ze meer bezorgd.

Ouders trachten het mediagebruik van hun kinderen wel te controleren met regels om de toegang tot en het gebruik ervan te beperken. “Ouders praten weinig over media met hun kinderen om ze te begeleiden. Voor de meeste ouders staat dit gelijk met ‘de kat bij de melk zetten.’ Praten en communiceren met je kinderen over digitale media blijkt uit onderzoek net juist een betere manier om zowel het gebruiken zelf, als het kritisch omgaan met die media te versterken,” zegt Hadewijch Vanwynsberghe. “Door er niet over te praten weten heel wat ouders niet altijd wat hun kinderen nu allemaal op digitale media doen en dat ze, soms bewust, soms onbewust, de regels van hun ouders omzeilen.”

De belangrijkste resultaten uit het genoemde onderzoek zie je in onderstaande infographic (klik hier voor een grotere versie; pdf).

MediaWijsCongres_Infographic_Website2

Stichting Media Rakkers presenteert Jeugd Reclame Wijzer: ‘Leidraad voor verantwoorde kinderreclame’

Vandaag wordt de nieuwe Jeugd Reclame Wijzer (pdf) aangeboden aan alle reclamemakers van Nederland. Dit document, gratis te downloaden via mediarakkers.nl, maakt de geldende regels voor kinderreclame uit de Nederlandse Reclamecode inzichtelijk en geeft adviezen aan reclamemakers voor het maken van verantwoorde kinderreclame. De informatie in de Jeugd Reclame Wijzer is te vinden per productcategorie, mediavorm of reclametechniek.

De Jeugd Reclame Wijzer kwam tot stand met medewerking van Stichting Reclame Code, de Radboud Universiteit Nijmegen en de Nationale Academie voor Media & Maatschappij. Met de publicatie wil Stichting Media Rakkers een bijdrage leveren aan de creatie van een veilige en verantwoorde commerciële omgeving voor kinderen. Het is daarbij namelijk van belang dat reclamemakers goed op de hoogte zijn van de zelfregulering en dat zij deze ook toepassen.

“Het is niet voldoende om alleen de aanbodzijde, de reclamemakers, te informeren over de kinderreclameregels, maar het is ook belangrijk om kinderen door educatie te helpen om slim met reclame om te gaan. Daarom hebben wij al eerder dit jaar, samen met de Radboud Universiteit Nijmegen, het nieuwe lesmateriaal ‘Reclame Masters’ voor basisscholen gelanceerd.” [Liesbeth Hop, directeur Stichting Media Rakkers]

Media- en reclamelessen zijn van groot belang in het basisonderwijs, zo schreef de Raad Voor Cultuur al in een advies van juli 2005. Via televisie maar ook via internet, smartphone en sociale media komen basisschoolleerlingen op steeds jongere leeftijd in aanraking met reclame. Reclame is overal aanwezig en niet meer zomaar makkelijk te herkennen. En dan is het handig dat er wat feiten en regels op een rijtje worden gezet…

PS  Media Rakkers ontwikkelt en verzorgt eigen mediawijsheidopleidingen voor professionals vanuit haar eigen opleidingsinstituut de Nationale Academie voor Media & Maatschappij. Vanuit dit instituut wordt in september 2015 het Nationaal Media Paspoort voor basisscholen gelanceerd.

NJi lanceert Toolbox Mediaopvoeding: ‘Wát kind met media doet belangrijker dan tijd die het eraan besteedt’

Kinderen besteden steeds meer tijd aan media, op steeds jongere leeftijd, en dit roept bij ouders veel vragen op. Daarom presenteert het Nederlands Jeugdinstituut vandaag de Toolbox Mediaopvoeding: Media? Gewoon opvoeden!. Een reeks factsheets biedt professionals betrouwbare informatie en adviezen waarmee zij ouders, met vragen over mediagebruik van kinderen van 0 tot en met 18 jaar, kunnen begeleiden. De nadruk ligt daarbij op de kansen die media bieden en het kiezen van geschikte inhoud.

Ouders, docenten en andere mede-opvoeders hebben veel vragen over media. Kijkt mijn kind niet te lang televisie? Met wie heeft mijn kind contact via de sociale media en wat gebeurt daar dan? En wat zijn geschikte en leerzame apps of spelletjes? Lastige opvoedvragen, waarbij ouders niet weten waar ze goede antwoorden kunnen vinden. Ook veel professionals zijn op zoek naar goede informatie en adviezen over mediagebruik en mediaopvoeding.

mediaopvoedproblemen

“Onderzoek laat zien dat professionals willen weten hoe kinderen zich ontwikkelen in relatie tot mediagebruik en hoe je geschikte media kunt beoordelen en risico’s kunt inschatten. Professionals willen ouders informatie en achtergronden kunnen geven, waarmee ouders zelf hun grenzen kunnen bepalen.” [Peter Nikken van het Nederlands Jeugdinstituut en hoogleraar mediaopvoeding bij de Erasmus Universiteit Rotterdam]

De Toolbox Mediaopvoeding biedt professionals in de opvoedingsondersteuning en het onderwijs een totaaloverzicht met factsheets, tips en adviezen, gebaseerd op actuele wetenschappelijke kennis. Deze is volgens de initiatiefnemers vernieuwend omdat deze gevalideerde en gebundelde informatie geeft, opgedeeld is in leeftijdsgroepen, vooral ingaat op de positieve kanten van mediagebruik en kiezen van geschikte inhoud en aandacht besteedt aan media en kinderen met een LVB en het voorkomen van risico’s van internetgebruik zoals sexting, grooming, cyberpesten en financiële problemen.

Uit onderzoek blijkt dat veel ouders denken dat gewoon speelgoed beter is dan media. Opvoeders richten zich vaak op de hoeveelheid tijd die hun kind aan media besteedt, en minder op de inhoud ervan. Een gemiste kans, want media kunnen het kind stimuleren en een positieve invloed hebben op de ontwikkeling. Via games en apps leren ze bijvoorbeeld samenwerken, problemen oplossen en informatie opnemen.

“Media zijn onontkoombaar voor kinderen. Ze gebruiken ze constant. Veel volwassenen denken dat het enkel voor vermaak is, maar kinderen gebruiken media juist om zich te ontwikkelen. Het is daarom belangrijk dat ouders hun kinderen daarin goed begeleiden. En daarvoor is het belangrijk dat beroepskrachten goede informatie hebben om ouders en kinderen te kunnen ondersteunen.” [nogmaals Peter Nikken]

Een op de drie ouders heeft ook moeite met ongewenste invloeden van media op hun kind. Media kunnen risico’s met zich meebrengen als cyberpesten, online misbruik en virtuele diefstal. Wanneer ouders hier bewust mee omgaan, de (online) grenzen bepalen en het gesprek hierover aangaan met hun kind, kunnen deze zoveel mogelijk worden voorkomen.

“Bij het aanpakken van cyberpesten kun je veel van dezelfde strategieën inzetten als bij ‘gewoon’ pesten. Bij sexting en grooming (online kinderlokken) is het vooral belangrijk om je kind weerbaar te maken, en goed met geld leren omgaan helpt je kind ook om online aankopen en reclames te weerstaan. Het gaat vaak over gewoon opvoeden, waarbij de toolbox extra handvatten geeft voor als het specifiek om media gaat. Ofwel: Media? Gewoon opvoeden!” [Krista Okma van het Nederlands Jeugdinstituut en expert opvoeden en opgroeien]

De Toolbox Mediaopvoeding is vanaf vandaag online te bestellen of per sheet kosteloos te downloaden via nji.nl/ToolboxMediaopvoeding. Voor beroepskrachten zijn factsheets en tipsheets beschikbaar voor verschillende leeftijdscategorieën, en daarnaast vinden ouders een aantal documenten waarmee ze aan de slag kunnen.

Onderzoek Iene Miene Media 2015: ‘Ouders in spagaat door toename mediagebruik van jonge kinderen’

Ouders komen steeds vaker in een spagaat door de toename van het mediagebruik van hun kinderen. Aan de ene kant staan ze hun kinderen steeds vaker en langer toe om met tablets en computers te spelen, zelfs tot in de slaapkamer. Aan de andere kant zijn ze er ook van overtuigd dat media geen ‘must’ voor hun kinderen zijn en vinden ze dat kinderen beter iets anders kunnen doen dan met media bezig te zijn. Dat blijkt uit het onderzoek Iene Miene Media 2015 (pdf) dat vandaag tijdens de aftrap van de Media Ukkie Dagen* is gepubliceerd. 

Het jaarlijkse onderzoek van het Nederlands Jeugdinstituut in opdracht van Mediawijzer.net is uitgevoerd onder ruim 1.000 ouders van kinderen van 1 t/m 8 jaar. Mediawijzer.net roept ouders tijdens de Media Ukkie Dagen op om bewust te kiezen voor zowel kwaliteit van media als voor voldoende ‘offline’ speeltijd.

Jonge kinderen besteden steeds meer tijd aan schermmedia als tablets en smartphones. Zo besteden kinderen van 1-4 jaar dagelijks tweeëneenhalf keer zo veel tijd (34 minuten) aan een tablet als in 2012 (12 minuten). Kinderen van 5-8 jaar maken met 15 minuten per dag tweeëneenhalf keer zo lang gebruik van een smartphone als in 2012 (6 minuten). De televisie neemt anno 2015 in de wereld van jonge kinderen nog steeds de meest prominente plaats in (1-4 jaar: 46 minuten per dag, 5-8 jaar: 53 minuten per dag).

De helft van de ouders (51%) vindt dat ‘gewoon speelgoed’ beter is voor kinderen (slechts 6% is het hier niet mee eens) en 48% vindt dat kinderen beter iets anders kunnen doen dan media gebruiken (slechts 8% is het hier niet mee eens).

De top-3 vragen waar ouders mee zitten in de mediaopvoeding zijn:

  • Hoe garandeer ik de veiligheid van mijn kind online?
  • Hoe kan ik bepalen of een website, app of spelletje goed is voor mijn kind?
  • Wat is voor mijn kind een normale tijd om per dag gebruiken te maken van digitale media?

Uit het onderzoek blijkt verder dat media steeds verder doordringen in de slaapkamers van jonge kinderen. De televisie (12%), de tablet (6%) en de spelcomputer (6%) zijn met een opmars bezig in vergelijking met afgelopen jaren. ‘Gewone’ kinderboekjes zijn nog altijd dominant aanwezig in de slaapkamer (87% heeft minstens een boekje op de slaapkamer).

apparaten in slaapkamer

De toename van smart-media lijkt vooral toe te schrijven aan de groep jonge kinderen van 1-4 jaar. Onderzoeker prof. dr. Peter Nikken van het NJI zegt hierover: “Veel ouders maken zelf regelmatig gebruik van schermen: op het werk, thuis en onderweg. Kinderen krijgen daardoor een belangrijk voorbeeld over hoe belangrijk media zijn. Voor hen is het dus steeds gewoner dat ze zelf ook media gebruiken op allerlei momenten van de dag en op allerlei plekken. Het is goed om ouders erop te wijzen dat zij voor een goede balans van activiteiten moeten zorgen: naast media moet er ook voldoende tijd zijn voor slapen, vrij spelen en met elkaar praten en lachen.”

Mary Berkhout van Mediawijzer.net wijst ouders op tegenstelling uit het onderzoek. Berkhout: “De toename van media in de wereld van jonge kinderen kun je goed begeleiden door bewust te kiezen voor kwaliteit van media. Dat betekent voldoende balans in het mediagebruik en kiezen voor kwalitatief goede content als games, apps en YouTube-filmpjes.” Bovendien zijn schermmedia niet zonder meer voor de allerjongsten geschikt. Berkhout: “De laatste wetenschappelijke inzichten duiden erop dat schermgebruik door kinderen onder 2 jaar meestal niet bijdraagt aan hun ontwikkeling. Een blokkendoos is hiervoor veel waardevoller.

*Het onderzoek Iene Miene Media is vandaag tijdens de aftrap van de Media Ukkie Dagen gepubliceerd. Deze jaarlijkse campagne ondersteunt opvoeders en professionals bij de mediaopvoeding van kinderen van 0 t/m 6 jaar. Van 26 maart t/m 2 april organiseren bibliotheken, Centra voor Jeugd & Gezin en vele partners van Mediawijzer.net activiteiten voor ouders en opvoeders rondom mediaopvoeding. Centraal staat de vraag hoe opvoeders een bewuste keuze maken voor kwaliteit van media. Op 2 april aanstaande reikt Mediawijzer.net de Media Ukkie Award uit aan de beste Nederlandse app voor peuters en kleuters. 

Ziggo en Academie voor Media en Maatschappij lanceren ‘Nationaal Media Paspoort’ voor basisscholen

Gebaseerd op hun gemeenschappelijke visie dat kinderen recht hebben op uitleg en educatie over de huidige gemedialiseerde en open samenleving zijn Ziggo en de Nationale Academie voor Media en Maatschappij gestart met de ontwikkeling van een ‘Nationaal Media Paspoort’ voor basisscholen. Hiermee leveren zij naar eigen zeggen een landelijke, duurzame en originele bijdrage aan de verbetering van de ‘mediapower’ van kinderen uit groep 7 en 8 van het basisonderwijs.

De twee partijen willen kinderen op een positieve, zelf ontdekkende manier leren om bewust, kritisch en actief om te gaan met media, aldus het persbericht. Naast het verbeteren van de mediawijsheid van kinderen is het doel hen te leren een meer gevoelsmatig media-instinct te ontwikkelen, een belangrijk onderdeel van ‘mediapower’. Daarbij komen alle actuele thema’s — privacy, sociale omgangsvormen, digitaal pesten, sexting, virtuele reclame, gamen en digitale identiteit — volop aan de orde, met als doel het ’empoweren’ van de jeugd.

Op 1 april moet de website Nationaalmediapaspoort.nl live gaan voor aanmeldingen, dus wellicht is dit een grap!? Zo niet, dan is het paspoort voor scholen vanaf september 2015 kosteloos te verkrijgen. Kinderen gaan tijdens een programma virtueel op reis en ontvangen ‘boarding passes’ voor nieuwe ‘fun ervaringen’ die zowel digitaal als klassikaal worden aangeboden: ‘Vol plezier en vol ervaring nieuwe grenzen verkennen’. In het Media Paspoort houden de kinderen zelf bij waar ze allemaal geweest zijn, aan de hand van de stempels die de leerkracht zet na het afronden van één van hun virtuele reizen.

Ziggo wil een actieve rol nemen in het aanjagen van het denken en doen over de open samenleving, gezien vanuit informatisering en digitalisering. En of deelname aan dit initiatief nu een grap is of niet, er klinkt kritiek. ‘Aap, noot, Ziggo’, kopte RTL Nieuws, wijzend op mogelijke belangenverstrengeling van het bedrijf. En bij The Post Online gaan ze nog een stapje verder, door het paspoort te omschrijven als ‘gevaarlijke kwakzalverij’. Dus.

[Afbeelding: ‘OMG LOL’-campagne van DDB voor Ziggo, 2014]

Update (19/9):
Inmiddels is de allereerste Nationaal Media Paspoort-les gegeven en werden de eerste paspoorten uitgereikt, waarmee het langverwachte Nationaal Media Paspoort-programma van start ging, voor elke basisschool in Nederland en Vlaanderen: een doorlopende medialeerlijn en -campagne voor zelfs de allerjongste basisschoolkinderen. Er hebben zich al meer dan 600 basisscholen aangemeld om met het Paspoort komend schooljaar aan de slag te gaan. Het programma biedt kinderen in groepen 1 tot en met 8 lessen over steeds zeven thema’s: online gedrag, identiteit, privacy en veiligheid, sociale omgangsvormen en leren kiezen voor geschikte mediacontent. “Na mediawijsheid is het nu tijd voor media-empowerment”, ronkt het persbericht. 

Safer Internet Day 2015: ‘Let’s create a better internet together’

In meer dan honderd landen in de wereld vindt vandaag weer de Safer Internet Day* plaats. Vele activiteiten vragen aandacht voor een betere online omgeving voor met name kinderen en jongeren. ECP| Platform voor de Informatiesamenleving organiseert in Nederland de Safer Internet Day onder de vlag van Veiliginternetten.nl. Met activiteiten voor jongeren, ouders/opvoeders, en professionals wil ECP samen met diverse partners bijdragen aan het creëren van een betere online omgeving voor kinderen en jongeren.

Het thema van de Safer Internet Day is ‘Let’s create a better internet together’ en sluit aan bij de gedachte dat we allemaal een verantwoordelijkheid hebben in het verbeteren van onze online omgeving en speciaal die van kinderen. “Het gaat bovendien allang niet meer alleen om online veiligheid, de verantwoordelijkheid gaat veel verder. Het gaat bijvoorbeeld ook om het bieden van kwalitatief goede content, het met respect en open met elkaar omgaan online en het hebben van de juiste digitale vaardigheden om dit te doen en om bij te dragen aan die betere online omgeving,” zegt Marjolijn Bonthuis van ECP. Uit een studie van het Joint Research Centre van de Europese Commissie blijkt bijvoorbeeld dat kinderen maar tot op zekere hoogte ‘digital’ natives’ zijn en zich dus zelf lang niet altijd kunnen redden online.

[youtube http://www.youtube.com/watch?v=cSCjCGxsCgw]

DigiDuck
Op Safer Internet Day vindt een symposium voor professionals plaats over hoe kinderen omgaan met online media nu en in de toekomst, geleid door Jochem van Gelder. Ook kunnen ouders ‘s avonds een interactief theaterprogramma bijwonen over pesten en de invloed van sociale media. In aanloop naar het evenement is een speciale mini-editie van de Donald Duck verschenen die helemaal in het teken staat van veilig internet. Alle abonnees ontvangen de mini-Duck samen met de gewone uitgave van het blad en deze is ook verspreid op een groot aantal scholen in Nederland — klik hier om deze ‘DigiDuck’ online te lezen.

Digivaardig & Digiveilig
In Nederland werken overheid en bedrijfsleven binnen het programma Digivaardig & Digiveilig samen om de online omgeving voor kinderen te verbeteren. Zij maken initiatieven mogelijk als Meldknop.nl, de site waar jongeren sinds 2012 terecht kunnen voor informatie, advies en hulp bij online problemen als digitaal pesten, lastig gevallen worden, opgelicht worden, enzovoort. De site krijgt jaarlijks ruim 100.000 bezoekers. Maar ook ondersteunen zij activiteiten als Codeweek waarmee kinderen, jongeren, ouders en docenten uitgedaagd worden om te leren programmeren, het lezen en schrijven van de toekomst.

Studio100%Safe Dag
Naar aanleiding van Safer Internet Day roept Studio 100 10 februari uit tot ‘Studio100%Safe Dag’. Het digitale spelplatform Wanagogo zal de hele dag tips en adviezen van Childfocus delen die bijdragen tot de veiligheid van kinderen online. Met Wanagogo wil Studio 100 alvast zelf het goede voorbeeld geven: 100% reclamevrij voor abonnees, geen in-app aankopen, ouders die een oogje in het zeil kunnen houden, een beveiligde chat-functie (via canned of white-listed chat). Via de WanagogoBoss-app bepalen ouders met een abonnement mede de spelregels van Wanagogo voor hun kinderen — zie onderstaande video.

[youtube http://www.youtube.com/watch?v=foUi3uBPIJw]

*De Safer Internet Day is een initiatief van de Europese Commissie. Op deze dag wordt in ruim 100 landen over de wereld aandacht gevraagd voor een betere online omgeving voor kinderen. ECP | Platform voor de Informatiesamenleving is de initiatiefnemer van de Nederlandse Safer Internet Day. De Nederlandse Safer Internet Day wordt ondersteund door de Europese Commissie en het publiekprivate programma Digivaardig & Digiveilig van het ministerie van Economische Zaken, CA-ICT, Betaalvereniging Nederland, IBM, KPN, SIDN, T-Mobile, UPC, Vodafone en Ziggo. Het symposium en de mini-uitgave van de Donald Duck is in samenwerking met Sanoma. De interactieve theateravond wordt mede aangeboden door UPC.

[Recensie] Boek ‘Mediawijs Online – Jongeren en Sociale Media’ in 10 oneliners

Drie maanden geleden noemde ik het boek al in een artikel over een Vlaamse campagne rond online privacy in de klas, en inmiddels heb ik het dan eindelijk uitgelezen. Met Mediawijs Online (ondertitel: Jongeren en Sociale Media), geschreven door Michel Walrave en Joris van Ouytsel van de onderzoeksgroep MIOS van de Universiteit Antwerpen, wil het kenniscentrum voor mediawijsheid Mediawijs.be tegemoet komen aan de vraag van begeleiders naar houvast in hun aanpak van jongeren en sociale media.

Elk hoofdstuk behandelt uitgebreid de relevante onderwerpen, achtereenvolgens sociaalnetwerksites, cyberliefde, sexting, grooming, cyberpesten, delen van locatie, reclame via sociale media en games, en onlinereputatie. Heel veel wetenschappelijke kennis wordt gecombineerd met praktijkervaring, en rond elk thema worden concrete adviezen voor jongeren, ouders en scholen gegeven.De afsluitende bibliografie beslaat, ondanks de kleine lettertjes, 20 pagina’s; er worden honderden bronnen en onderzoeken opgevoerd. Het is dan ook een zeer degelijke publicatie, dat een goed (compleet?) overzicht van de feiten, toepassingen, begrippen en inzichten geeft.

Wie ook de tijd gaat nemen om het boek te lezen, zal soms het gevoel hebben dat er open deuren worden ingetrapt (dat kwaadwillende volwassenen jongeren makkelijker kunnen benaderen dankzij elektronische communicatie zal niemand verbazen), en het soms juist toejuichen dat begrippen zo uitgebreid worden toegelicht (niet iedereen zal weten wat bijvoorbeeld het disinhibitie-effect is). Het enorm informatieve karakter van het boek brengt met zich mee dat het minder makkelijk wegleest; zaken worden wat afstandelijk, klinisch en droog beschreven — gevoelsmatig is bijna elke zin feitelijk onderbouwd (ik telde een keer zelfs twaalf noten bij een regel).

Daarnaast zijn niet alle tips in de praktijk even realistisch (‘wees zelf geen pestkop’ — verzin het maar) en zijn enkele gegevens verouderd (Hyves en Netlog worden nog genoemd). Gezien het doel van de uitgave zijn dit echter overkomelijke bezwaren, want wie zijn kennisniveau over mediawijsheid wil opvijzelen, komt goed aan zijn trekken. Afhankelijk van de achtergrond van de lezer kan deze het als naslagwerk of als handleiding gebruiken. Hoe dan ook verdienen de auteurs respect voor de enorme hoeveelheid werk.

Om een betere indruk van de inhoud te geven, ben ik — zoals gebruikelijk in mijn reviews — zo vrij om het boek samen te vatten in de vorm van de tien meest opvallende oneliners:

  • ‘De belangrijkste drijfveer om sociaalnetwerksites te gebruiken, lijkt het delen van, lezen van en interageren met informatie te zijn’ (pagina 15)
  • ‘Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat vele stellen ‘Facebook Official’ worden als een belangrijke stap in hun relatie beschouwen’ (43)
  • ‘In tegenstelling tot het lezen van iemands post of het doorbladeren van de agenda van de partner, wordt het routinematig bezoeken van iemands Facebookpagina, ook die van de eigen partner, als minder opdringerig ervaren’ (49)
  • ‘Het bezit van sextingbeelden fungeert als een symbolisch ‘kapitaal’ en de uitwisseling ervan met anderen is te vergelijken met het verhandelen van een symbolische ‘munt”
  • ‘Jammer genoeg was er ons op het moment van schrijven geen onderzoek bij jongeren bekend over de mogelijke kansen die sexting aan hen zou kunnen bieden’ (65)
  • ‘Cyberpestkoppen hebben in het algemeen een gebrek aan empathie‘ (116)
  • ‘Een van de meest logische logische stappen om online pesten tegen te gaan is om als volwassene zelf voorbeeldgedrag te stellen en zelf de gepaste privacyinstellingen te hanteren en anderen op het internet met respect te behandelen’ (125)
  • ‘Het eigenlijke product van sociaalnetwerksites is niet het communicatieplatform maar de advertentieruimte en de bijbehorende gegevens van de gebruikers’ (145)
  • ‘Kinderen en jongeren plukken ongetwijfeld de vruchten van het rijke, door adverteerders gesponsorde, media-aanbod dat hen voorziet van ruime mogelijkheden voor informatie, entertainment, communicatie en expressie’ (152)
  • ‘De aanwezigheid van foto’s van aantrekkelijke vrienden zorgt ervoor dat anderen je ook als mooier zullen beschouwen’ (184)

Het boek is hier te bestellen.

NSPCC spoort ouders aan online deelbewust te worden, met aansprekend voorbeeld: ‘I Saw Your Willy’

Sociale media spelen een behoorlijk belangrijke rol in het leven van de jeugd, maar er zijn ook wat nare bijwerkingen voor wie er niet verstandig mee omgaat. De National Society for the Prevention of Cruelty to Children (NSPCC), een Engelse liefdadigheidsorganisatie die zich inzet tegen kindermishandeling, is daarom een nieuwe campagne gestart over veiligheid online, gericht op ouders van 8-12-jarigen. In twee animaties wordt bij wijze van waarschuwing getoond hoe snel het verkeerd kan aflopen als je een zaakje (sic) deelt dat je digitaal beter niet kan delen.

“We tell our children to share but online it’s different. In fact sometimes sharing online can be dangerous. That’s why we’re asking parents to be Share Aware and keep children safe online.”

Hieronder zie je de video die vanwege de titel I saw your Willy het vaakst bekeken zal worden.

[vimeo 115647556 w=570 h=321]

En kijk ook het andere filmpje uit de campagne: Lucy and The Boy.

[vimeo 115646648 w=570 h=321]

“We know some parents feel confused by the internet – out of their depth, and out of control. Share Aware – our campaign for parents of children aged 8-12 – will help to reassure you, and give you everything you need to keep your children safe. We’ve got straightforward, no-nonsense advice that will untangle the web, and show you how you can be just as great a parent online, as you are the rest of the time. The internet is a great place for children to be. Being Share Aware makes it safer.”

De ‘Share Aware’-campagne beperkt zich niet alleen uit de twee spotjes, maar via de NSPCC-website vinden ouders ook informatie over sociale netwerken, alsmede tips hoe ze ‘deelbewust’ kunnen worden en hoe ze hierover met hun kinderen het gesprek kunnen aangaan.

[Creatie door Leo Burnett Change; via The Drum]

Boek Patti Valkenburg over schermgaande jeugd: ‘Mediagebruik hoeft geen struikelblok in opvoeding te zijn’

Waarom zijn veel jongeren vergroeid met hun smartphone? Is gamen slecht voor de ontwikkeling van kinderen? Zijn de effecten van seks in de media alleen maar schadelijk? Veel ouders tobben met de vraag of ze hun kinderen moeten beschermen voor hun mediagebruik en hoe ze dat het beste kunnen doen. In haar nieuwe boek Schermgaande jeugd bespreekt Patti Valkenburg, universiteitshoogleraar Media, Jeugd en Samenleving aan de UvA, de laatste stand van zaken rond het gebruik, de aantrekkingskracht en de effecten van media onder kinderen.

Jongeren zitten iedere dag zes uur voor een scherm, meer tijd dan ze op school doorbrengen. Valkenburg laat zien dat de meeste kinderen baat hebben bij de nieuwste generatie schermmedia: hun cognitieve en sociale vaardigheden nemen toe, en hun vriendschappen en zelfvertrouwen worden gestimuleerd. Bij een kleine groep gaat het echter minder goed. Deze kinderen vertonen aandachtsproblemen en online risicogedrag. Ze worden gepest, of raken verslaafd aan games of sociale media. Ook kunnen zij agressief en opgefokt raken van gewelddadige games. Vijf procent van de jongeren is verslaafd aan games.

“In het maatschappelijk debat wordt gamen regelmatig verward met pathologisch gamen. Het is belangrijk om een duidelijk onderscheid te maken, want de sociale effecten van gamen liggen anders voor gameverslaafden dan voor normale gebruikers. Gamen gaat in het algemeen samen met minder eenzaamheid, terwijl pathologische gamers wel vaak eenzaam zijn en die eenzaamheid neemt toe naarmate de verslaving toeneemt.”

Tieners dulden niet gemakkelijk inmenging in hun mediagebruik, omdat ze menen dat het – net als vrienden en kleding – binnen hun persoonlijke domein valt. Dit maakt dat veel ouders het reguleren van het schermgedrag van tieners moeilijk vinden. Valkenburg sluit haar boek daarom af met een aantal op wetenschappelijk onderzoek gebaseerde adviezen voor een proactieve mediaopvoeding. In zo’n opvoeding zijn er duidelijke afspraken over gedragsregels, die passen bij het ontwikkelingsniveau, en die consistent worden gehandhaafd.

“Omgaan met de verleidingen van smartphones, games en apps vereist zelfcontrole. Als je je kind hierbij wilt helpen, werkt een autonomie-bevorderende opvoeding het beste. Bijvoorbeeld: geen apparaten aan tafel tijdens het eten of geen telefoon na een bepaalde tijd in de avond. Maak deze afspraken bij voorkeur vóórdat de smartphone, game of app wordt aangeschaft.”

Ze benadrukt ook het belang van het voorkomen van gewoontevorming: “In de kindertijd kan mediagebruik – net als veel ander gedrag – al snel een gewoonte vormen. Als dat gebeurt, is het nog maar moeilijk af te leren. Een mediaopvoeding is pas proactief als deze erop gericht is te voorkomen dat tieners de gewoonte vormen om altijd bereikbaar te zijn.”

Updates:

  • (3/12): In een interview met Mijn Kind Online legt Patti Valkenburg uit dat ze met dit boek ouders vooral hoop wil meegeven: “Je hoort van zoveel ouders dat de opvoeding zoveel moeilijker is geworden en dat ze enorme moeite hebben het mediagebruik van hun kinderen binnen de perken te houden, vooral bij pubers. Maar uit het wetenschappelijk onderzoek dat er nu ligt, blijkt dat er over het algemeen best hoop is.”
  • (10/12): In een interview met de Volkskrant lezen we dat de meest gestelde vraag aan Patti Valkenburg is wat ouders moeten doen: “Kinderen en jongeren verschillen onderling sterk. Dus zeg ik tegen ouders: u kent u kind het beste, u ziet hoe het reageert op enge films of een heftige game. Ouders zijn de eerste verantwoordelijken. Als je kind onrustig of bang wordt, dan laat je het toch niet kijken?”

Vlaamse campagne over online privacy in de klas: ‘Denk na voor je iets online zet’

Omgaan met privacy op sociale netwerksites is een belangrijke uitdaging op dit moment, en scholen hebben daarbij een belangrijke rol te spelen. Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits heeft daarom een nieuwe campagne over online privacy gelanceerd, om leraren en leerlingen uit het secundair onderwijs bewust te maken van de thematiek van online privacy in de klas. De boodschap die de jeugd krijgt: ‘Denk na voor je iets online zet’. Het doel is kinderen en jongeren vaardigheden bij te brengen zodat ze zich verantwoord en veilig op het internet kunnen begeven.

Voor de campagne is er het nieuwe boek Mediawijs Online, er is een nieuw lespakket over online privacy, een privacy-handleiding voor leraren en een ‘EHBO-kit voor privacy en sociale media’. Alle secundaire scholen in Vlaanderen hebben recent het nieuwe lesmateriaal ontvangen.

“De sociale media zijn niet meer weg te denken uit de leefwereld van kinderen en jongeren. Ze vormen een belangrijke bron van communicatie thuis en op school en dragen bij tot hun mediawijsheid. Het is essentieel om verantwoord en veilig met sociale media om te gaan. Deze campagne over online privacy in de klas wil jongeren en leraren wijzen op de risico’s en reikt tips aan hoe hiermee om te gaan.” [Hilde Crevits]

Drieluik
In het verleden waren er al campagnes over cyberpesten en online reclame. De nieuwe campagne wil leraren én leerlingen ondersteunen om de thematiek van online privacy in de klas aan te pakken. De campagne bestaat uit drie ‘luiken’:

  • Een informatief luik in de vorm van het boek Mediawijs Online, tot stand gekomen door een samenwerking van Mediawijs.be en de Universiteit Antwerpen;
  • Een educatief luik in samenwerking met UGent, bestaande uit een privacyhandleiding voor leraren en drie lespakketten (over respectievelijk commerciële risico’s, contactrisico’s en inhoudsrisico’s op sociale netwerksites);
  • Een sensibiliseringsluik met een wedstrijd waaraan scholen tot 15 januari 2015 klassikaal kunnen deelnemen en de ‘EHBO-kit voor privacy en sociale media’.

De campagne richt zich op scholen (leraren en leerlingen) uit het secundair onderwijs. Dat gebeurt vanuit de vaststelling dat vanaf de leeftijd van 12-14 jaar jongeren actief gaan experimenteren met sociale netwerksites en zich een online identiteit aanmeten. Bovendien vermindert het ouderlijk toezicht naarmate kinderen en jongeren ouder worden, wat risicogedrag eveneens doet toenemen.

Mediawijsheid
Jongeren groeien op in een digitale wereld en dat is een goede zaak. Jongeren maken op school en in hun vrije tijd vaak gebruik van sociale media. Die sociale media geven jongeren de toegang tot een wereld van informatie en nieuws. Het is een verhaal van kansen en van talentontwikkeling. Onderwijs vertrekt vanuit het idee dat jongeren gevormd worden tot kritische, betrokken, autonome, verdraagzame en creatieve mensen.

Het is belangrijk dat jongeren verantwoord en veilig met sociale media omgaan. Dat vraagt een gedeelde verantwoordelijkheid van de ouders en van het onderwijsveld. Mediawijsheid vormt een essentieel onderdeel van de nieuwe geletterdheid. Het werken aan digitale competenties, mediageletterdheid en ICT-vaardigheden maakt sinds 2007 deel uit van de eindtermen. Leerlingen moeten ICT op een veilige, verantwoorde en doelmatige manier kunnen communiceren.

Cijfers
Uit recent Apestaartjaren-onderzoek blijkt dat 89% van de 12-18-jarigen en 35% van de 9-12-jarigen een profiel op Facebook hebben. Jongeren gebruiken sociale netwerksites om te communiceren, om foto’s en filmpjes te delen, om statusupdates te posten en om berichten te posten op een profiel van vrienden. Bijna de helft van de jongeren gebruikt sociale media ook voor schoolwerk. Naast de vele mogelijkheden zijn er ook wel risico’s verbonden aan online media.

Van de kinderen die Facebook gebruiken, zegt 18,5% bevriend te zijn met mensen die ze nog nooit in het echt hebben gezien. Bij jongeren is dat niet veel anders: 27% van de jongeren voegt soms onbekenden toe. Ongeveer 10% van de 9-16-jarigen antwoordt positief op de vraag of ze het afgelopen jaar iets storends hadden meegemaakt of gezien op internet. Meisjes (14%) rapporteren dubbel zoveel negatieve ervaringen dan jongens (6%).

Inhoudsrisico’s, zoals de (ongewilde) confrontatie met pornografische beelden komen meest voor; 12% ontving seksueel getinte boodschappen en 10% had een face-to-face ontmoeting met iemand die hij of zij via internet had leren kennen. 7% van de onderzochte groep was slachtoffer van cyberpesten, voornamelijk via sociale media.

UGent ontwikkelt game voor meer reclamewijsheid

Afgelopen vrijdag vond in Living Tomorrow (Vilvoorde, België) het kick-off event van AdLit plaats. Dit project verenigt vier universiteiten (UGent, KU Leuven, UA en VUB) en heel wat partners die samen onderzoeken hoe ze de reclamewijsheid van minderjarigen kunnen verhogen. Daarvoor worden educatieve pakketten en een game gemaakt, zijn sensibiliseringscampagnes gepland en worden reclamecues ontwikkeld waardoor kinderen en jongeren reclame sneller kunnen herkennen. AdLit formuleert ook aanbevelingen voor beleid en zelfregulering.

AdLit werd enkele maanden geleden in het leven geroepen als vierjarig IWT-project. Tijdens het kick-off event werden de eerste onderzoeksresultaten en de concrete doelstellingen van dit project nader toegelicht voor de verschillende stakeholders en partners uit de onderwijs- en reclamewereld. In enkele interactieve world cafés werd gedebatteerd over allerlei stellingen en inzichten rond reclamewijsheid. Tot slot presenteerde het Center for Persuasive Communication (CEPEC) van de Universiteit Gent er haar gameproject. Daarin worden de bestaande inzichten binnen het academisch onderzoek rond reclamewijsheid vertaald naar jongeren en het brede publiek aan de hand van een serious game.

Een serious game wil spelers spelenderwijs iets aanleren. De kunst is echter om een goede balans te vinden tussen het leer– en het ‘fun’-aspect. Daarom wordt het concept samen met jongeren ontwikkeld. Zij krijgen zeggenschap over het spelverloop en de grafische elementen. Dit 2-jarig project ging in september 2014 van start en gaat uit van de Universiteit Gent. Het game zal in het voorjaar van 2015 online beschikbaar zijn en gelanceerd worden via sociale media.

Met de oproep van kinder- en jeugdpsychiater Peter Adriaenssens tot het boycotten van tablets en smartphones voor kinderen en het succes van het nieuwe sociale netwerk Ello, de reclamevrije concurrent van Facebook, is media- en reclamewijsheid weer een ‘hot topic’ geworden. En dit is maar goed ook. Kinderen en jongeren worden dagelijks overspoeld met reclame, via verschillende media en in verschillende vormen. Reclame is dan ook overal aanwezig en is zelfs steeds moeilijker te herkennen: de smokey eye-tutorial van L’Oréal op YouTube? Reclame. Die coole game waarin je de mini-M&M’s moet zien te verzamelen? Reclame. Of de Coca-Cola Light-blikjes in Lady Gaga’s kapsel in de clip van Telephone? Je raadt het al … reclame.

[youtube http://www.youtube.com/watch?v=HAM2LN0Xqpg]

Op zich is dit zeker niet negatief want reclameboodschappen kunnen kinderen en jongeren helpen om geïnformeerde keuzes te maken. Hiervoor moeten ze echter over de capaciteit en mogelijkheid beschikken om de reclameboodschappen te herkennen en de intentie van de reclamemakers te begrijpen. Met andere woorden: om kritisch met reclame om te kunnen gaan, moeten kinderen en jongeren voldoende reclamewijs zijn. Onderzoek wijst er echter op dat deze reclamewijsheid meestal zeer laag is voor de nieuwe reclamevormen. Kenmerkend voor deze nieuwe vormen is namelijk dat ze de reclameboodschap integreren in populaire media-inhoud, waardoor het vaak moeilijk is om het onderscheid te maken tussen reclame en media, bijvoorbeeld product placement, advergames, …

Hierdoor verwerken minderjarigen de reclameboodschappen niet op een kritische manier, wat kan leiden tot onbewuste beïnvloeding met mogelijke negatieve effecten als gevolg, zoals toenemend materialisme, een verlaagd zelfbeeld,… Hoog tijd dus om na te gaan hoe we kinderen en jongeren kunnen leren omgaan met reclame, zodat ze opgroeien tot kritische, geïnformeerde consumenten die zelf bewuste keuzes kunnen maken.

[Via X, Y of Einstein]